KNOOP 11: GEBEDSGENEZING
EN ZIEKENZALVING?

LAATSTE GROET
Ik moest gaan,
maar bij de deur
van de sterfkamer
heb ik me omgedraaid,
langzaam mijn hand
opgestoken en zacht
gezegd: Dag lieverd,
de steen is afgewenteld.
Geert Boogaard
GEBEDSGENEZING
EN ZIEKENZALVING?
(een verkeerd gelegde knoop oftewel:
een exegetische vergissing.
Daarom deze extra lange poging tot ontknoping)
Vaak wordt, met name in charismatische
kringen, verwezen naar Jakobus 5 om te pleiten voor ziekenzalving en wat men
wel gebedsgezing noemt, al of niet als bijzondere gaven van de Heilige Geest
waarnaar we streven mogen, of misschien wel moeten.
Nu wordt helaas bij de verklaring van
deze verzen vaak te weinig het verband van de hele brief in rekening gebracht,
en de situatie waarin de gelovigen (de 12 stammen in de diaspora!) leefden aan
wie Jakobus schrijft.
De leidende gedachte van deze
Jakobus-brief is het geloof in Gods eenheid, Gods trouw. Alle vermaningen in
deze brief vinden in die eenheid van God haar grond, in zijn onveranderlijke
trouw.
Dat geldt dus ook van deze vermaning
van Jakobus waarin hij zegt wat christenen moeten doen wanneer er iemand van
hen ziek is. De door God in de gemeente aangestelde oudsten moeten dan geroepen
worden.
Tot zover is alles wel duidelijk. Maar
nu vergelijken we onze praktijk eens met wat hier staat. Die ouderlingen moeten
dan voor en met de zieke bidden, en hem zalven met olie. Maar dat laatste
gebeurt in de praktijk zelden of nooit. De vraag wordt wel gesteld: maar is
hier dan geen ongehoorzaamheid aan wat de Schrift zegt? Er wordt dan ook
tegenwoordig ook in onze Gereformeerde kringen wel voor gepleit om die gewoonte
van ziekenzalving weer te gaan invoeren.
Vervolgens zegt Jakobus: en het
gelovige gebed zal de lijder gezond maken. Dat kan Jakobus uiteraard alleen
zeggen als God ons dat ook werkelijk heeft beloofd. Maar dan botsen we helemaal
pijnlijk op de praktijk. In hoeveel gevallen wordt een zieke niet beter,
ondanks het gebed dat met en voor de zieke is opgezonden tot de HEER? Hoe komt
het dat zo veel zieken niet beter worden? Is dat dan gebrek aan geloof; of komt
het omdat niet gehoorzaamd wordt aan het bevel om de zieke met olie te zalven?
Of geldt die belofte vandaag misschien niet meer? Of moeten we, als we toch
niet beter geworden zijn, het dan maar leren aanvaarden dat ondanks die belofte
God, hoe onbegrijpelijk ook voor ons, het zo toch kennelijk beter gevonden
heeft?
Van het gelovige gebed dat de zieke
genezen zal waar Jakobus van spreekt blijkt nergens dat die belofte maar
tijdelijk zou zijn, zoals soms wel beweerd wordt. Integendeel, er wordt ten
bewijze van de waarheid van wat hier staat heel in het algemeen gezegd: het
gebed van een rechtvaardige is krachtig en mist zijn uitwerking niet. En dan
wordt als voorbeeld verwezen naar een mens zonder bijzondere genezings-gaven,
een mens zoals wij, op wiens gebed de HEER grote dingen gedaan heeft. Nu, dat
geldt toch voor alle tijden? Ja, dat geldt ook vandaag, ook als er geen mensen
zijn met die bijzondere Geestesgaven zoals bijvoorbeeld die gave van de
gezondmaking. Want over die gave gaat het hier helemaal niet.
In de Korintiërs-brief wordt gezegd
dat er toen allerlei gaven en bedieningen waren: de één is herder en leraar,
een ander ouderling of diaken, een derde spreekt in tongen, en weer een ander heeft
de gave van gezondmaking. Maar er wordt nergens gezegd dat de ouderlingen die
gave van gezondmaking krachtens hun ambt of bediening bezitten. Maar hier
moeten niettemin de ouderlingen krachtens hun ouderlingen-ambt bidden met en
voor de zieken. En ook van hen geldt dat ze mensen zijn zonder die bijzondere
gave van genezing, immers, gewone mensen, net als Elia en als wij allemaal.
Ja, maar hoe komt het dan dat zoveel
zieken toch niet beter worden ondanks dat gebed? Afgezien van ook andere
mogelijke oorzaken moeten we er in de eerste plaats rekening mee houden dat God
nergens heeft beloofd dat alle zieken voor wie gebeden wordt beter zullen
worden. En zo’n belofte staat er ook niet hier in Jakobus 5.
Om te verstaan wat Jakobus hier zegt
moeten we het verband vasthouden, het verband van de hele brief, en vervolgens
het onmiddellijke tekstverband. We moeten geloven dat God één is, altijd
dezelfde in zijn trouw aan het Verbond. Hij is de God die altijd gegeven heeft
en nog steeds geeft en blijft geven wat wij van Hem bidden, wanneer wij bidden
zonder twijfelen dat God ons geeft wat Hij ons heeft beloofd.
Maar nu waren er mensen in de
gemeenten waaraan Jakobus schrijft, we lezen dat in hoofdstuk 4:2,3, die niet
bidden, en er waren mensen die verkeerd bidden. Jakobus noemt hen mensen die
vrienden van de wereld willen zijn. Die mensen verwachten dus, in hun niet of
verkeerd tot God bidden, wat zij nodig hebben van de wereld, of ze verwachten
het op een wereldse manier.
Tegen die achtergrond moeten we nu dat
vermaan van Jakobus lezen. Is er iemand bij u ziek? Laat hij het dan niet van
de wereld verwachten, maar de ouderlingen van de gemeente tot zich roepen.
Ieder in de kerk mag geloven het
eigendom van Christus te zijn, en moet daarom alleen van de Vader alles
verwachten, in leven en sterven, in ziekte en gezondheid.
Maar wat is de praktijk geworden,
bijvoorbeeld in de hier genoemde concrete gevallen van ziekte? Sommige
gemeenteleden verwachten hun genezing van de wereld. Nu waren dokters zoals wij
die kennen in die tijd nog heel zeldzaam. Ook de veelheid van medicijnen die
wij hebben was er toen nog niet. Wie ziek was ging als hij jood was naar de
priesters of de oudsten van de synagoge, en als hij heiden was naar de
priesters van de afgodstempels van die afgoden, aan wie men de genezing van
allerlei ziekten toeschreef. Hun medische hulp was geen vak of beroep zoals bij
onze dokters, maar een deel van hun religie, waaraan de zieke die hen te hulp
riep dan zelf ook deel nam.
Zo gaven de heidense priesters hun medicijnen
dan ook in de naam van hun afgod. De meest voorkomende medicijn, bij hoofdpijn,
keelpijn, koorts, enz. was olijfolie, waarmee men de zieke bestreek. Dat werkte
direct verkoelend en genezend.1) En dat deed men dan in de naam van
zijn afgod, van de god van de geneeskunst Aesclepius
bijvoorbeeld, in wie men dan ook geloven moest, wilde men geholpen worden. Maar
nu was er het gevaar dat christenen naar zulke joodse of heidense priesters
gingen, en zo hun genezing van de wereld, dat betekent hier van de joodse
synagoge of van de heidense tempels verwachtten. Ze baden niet, of ze baden
verkeerd.
En dan is dit Jakobus’ bedoeling: als
je gelooft in de eenheid van God, in zijn onveranderlijke trouw, dan moet je
niet zulke priesters, maar de ouderlingen van de gemeente tot je roepen, opdat
niet die priesters hun toverformules over je uitspreken, maar opdat die
ouderlingen een gebed over je uitspreken, en opdat zij je met olie zalven in de
naam van de HEER. En dan volgen die woorden: het gelovige gebed zal de zieke
redden; het gelóvige gebed, en dus niet het ongelovige gebed van de
synagoge-oudsten of de toverspreuken van heidense priesters of de praktijken
van gebedsgenezers. En de HEER, de trouwe Verbondsgod,
zal hem laten opstaan, en niet een afgod.
Als we zo de klemtoon leggen op
Jakobus’ woorden, dan verstaan we dat hier niet een absolute belofte gegeven
wordt dat iedereen beter worden zal. Nee wat hier wordt bedoeld is de belofte
dat men alles, ook genezing, van de HEER verwachten mag, omdat ook genezing het
werk van de HÉÉR is, en niet van andere goden.
Wil dit nu zeggen dat we geen middelen
mogen gebruiken, en geen dokter of maatschappelijk werker mogen roepen, maar
alleen een ouderling of de dominee? Natuurlijk niet! De weg van de middelen
wordt ons hier juist uitdrukkelijk aangewezen: het toen voor de hand liggende
geneesmiddel gebruiken: olijfolie 1). Om het met woorden van vandaag te zeggen:
in veel gevallen om te beginnen een asperientje of
een paracetemol nemen, of een hoestdrankje, of welke
van de vandaag meest voor de hand liggende geneesmiddelen, om maar iets te
noemen.2) En als dat niet helpt, andere geneesmiddelen, waar u zelf
en ook een ouderling of dominee tegenwoordig niet zo veel verstand meer van
hebben, en waar dus een vakman, een dokter, voor geraadpleegd moet worden.
Wanneer de ouderlingen voor een zieke
bidden, zo gaat Jakobus verder, dan zal als hij zonden gedaan heeft het hem
vergeven worden. Trouwens, niet alleen op het gebed van de ambtsdragers.
Jakobus breidt het hier uit tot alle gemeenteleden. Beken elkaar uw zonden, en
bidt voor elkaar, opdat (NBG-1951-vertaling) u genezing ontvangt.
Men heeft wel gezegd dat het hier over
zonden zou gaan waardoor de ziekte veroorzaakt is. Dat kan wel eens het geval
zijn. Maar dat hoeft niet altijd zo te zijn.
Toch is er wel reden om rekening te
houden met een zonde die met hun ziek-zijn verband houdt; namelijk die zonde,
dat men begonnen is zijn vertrouwen niet op de HEER te stellen, maar op de
afgoden. Dat men bijvoorbeeld afgodspriesters bij het bed geroepen heeft, in
plaats van de ouderlingen.
Wanneer dan tenslotte, als vrucht van
de vermaning van Jakobus, een zieke alsnog de ouderlingen laat roepen, dan zal
de zonde die hij eerst bedreven heeft (welke ook maar) hem vergeven worden. En
zo komen dan zieken en gezonden weer recht te staan tegenover God. Zo tonen
allen zich rechtvaardigen, dat is: mensen die op God vertrouwen.
Jakobus verwijst hier niet zomaar naar
Elia. Een mens als wij. Hij bad volgens 1 Koningen 17 een gebed dat de aan ziekte
gestorven zoon van de weduwe te Zarfath weer tot het
leven zou terugkeren. En de HEER hoorde naar de stem van Elia, en de ziel van
het kind keerde in hem terug, zodat het levend werd.
… Wat zegt u: staat dat er niet? …Ja,
maar dàt voorbeeld uit Elia’s bidden zouden we wel
verwachten! Dat voorbeeld zou er ook gestaan hebben als het hier ging om
wonderbaarlijke gebedsgenezingen. Maar het staat er nu juist uitgerekend niet!
Niet Elia’s gebed om genezing voor een
gestorven zieke, in 1 Koningen 17, maar Elia’s gebed om droogte en daarna om
regen wordt als voorbeeld uit 1 Koningen 17 en 18 aangehaald.
Weet u waarom? Omdat het ook toen ging
om kerkleden die hinkten op twee gedachten: moest men van de HEER alles
verwachten, of van de Baäls? Wie geeft regen en vruchtbaarheid, wie zorgt er
voor ons leven, de God van het Verbond, of de Baäl?
Vandaar deze verwijzing naar dit gebed
van Elia. Het ging toen over precies dezelfde vraag als bij de zieken in de
tijd van Jakobus: wie schenkt het leven, hetzij regen, hetzij genezing uit
ziekte. Wie? De afgoden, of, de HEER? Zoals Elia’s strijd ging tegen de zonde
van afgoderij, zo ook hier. Hoe kan een zieke, hoe kan een gemeente bidden als
de zonde van het eerst op afgoden vertrouwen niet beleden is? Dan wordt zelfs
niet alleen het gebed verhinderd, maar mogelijk ook de genezing; en zeker de
hoop op genezing.
Daarom, Jakobus heeft hier niet
bedoeld te zeggen dat de kerk, de ouderlingen, de diakenen, of de dominee door
over de zieke te bidden, en dat eventueel gepaard gaande met een zogenaamd de
Geest symboliserende zalving met olie, de zieke genezen zullen. In de loop van
de eeuwen werd dat er van gemaakt, een spirituele ceremonie in plaats van het
toedienen van een geneesmiddel in de naam van de HEER. Zoals we ook vandaag
bidden om Gods zegen over de toegediende medicijnen.
Nee, dit is de boodschap in dit Woord
van de HEER: de ambtsdragers hebben in zijn naam rijke troost voor u, ook als u
ziek bent, met name als u in uw ziekte geplaagd wordt door de onrustige
wetenschap van onbeleden zonden. Belijdt ze: het zal
u vergeven worden.
Want dezelfde God die Adam riep in het
paradijs na zijn zonde is in Christus ons heel nabij gekomen en roept nog
steeds: geloof in mijn eenheid van spreken en doen; belijdt uw zonden en Ik zal
ze vergeven en zo echt doen leven, of u nu gezond wordt, of dat u sterven gaat.
Want hetzij wij leven, hetzij wij sterven, wij zijn van de HEER. Dat geloof geve aan ons aller gebed de kracht van de enige troost, in
ziekte, ook in zonde.
Noten
1. Uit een krantenartikel citeer ik: “Vers
geperste olijfolie heeft veel weg van een geneesmiddel. De olie bevat namelijk
een stof die op de populaire pijnstiller en ontstekingsremmer ibuprofen lijkt.”
Olijfolie “hindert onder meer de ontwikkeling van bepaalde enzymen die
verantwoordelijk zijn voor koorts.”
2. In mijn eerste gemeente in een dorp
in het Noorden, in het begin van de jaren zestig, vroeg een oude zuster mij wat
toch te doen omdat ze zich niet goed voelde en zo’n hoofdpijn had. Ik bad met
haar, maar ook zei ik: neem maar een aspirientje, en als het niet helpt, ga dan
naar de dokter.
3. Mijn serie van drie preken over de
Jakobus-brief kunt u, als u daarvoor interesse hebt, per email bij mijn
aanvragen.